Les 1

Lessenserie:
Nederlands

Onderwerp:
Sprookjes

Beginsituatie:
De leerlingen zijn bekend met de verschillende sprookjes.
De leerlingen hebben al een beetje ervaring met samenwerkend leren.

Lesdoel: 
Woordenschat verbreden en het leren schrijven van een verhaal.

Kerndoel: 
1. De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.
2. De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten.
3. De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

Aandachtspunten: 
Let er op dat alle leerlingen aan de beurt komen en dat je als leerkracht alles goed in de gaten blijft houden. De turnsharks stop je soms en de wat stillere kinderen geef je juist de ruimte om praten.

 SprookjesLes1.doc (28 kB)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


TIJD

WAT

HOE

WAAROM

BENODIGDHEDEN

(0-15 min)

 

 

 

 

(0- 10 min)

 

 

 

(0-10 min)

 

 

 

 

 

 

 

(0-15 min)

 

 

 

(0-10 min)

De leerlingen luisteren.

 

 

 

 

De leerlingen praten over het sprookje.

 

 

 

De leerlingen luisteren.

 

 

 

 

 

 

 

De leerlingen luisteren naar het verhaal en schrijven de opbouw en verdere herkenbare dingen die ze horen op.

 

De leerlingen bespreken wat ze hebben opgeschreven en wat ze nu is opgevallen tijdens de 2e keer luisteren.

De leerkracht leest Sneeuwwitje en de zeven dwergen voor.

 

 

De leerkracht legt uit over de opbouw van het verhaal.

(zie bijlage)

 

De leerkracht verteld leuke weetjes over een sprookje, bijvoorbeeld dat er altijd dezelfde cijfers worden gebruikt zoals 7 of 3. En vraagt aan de leerlingen of ze dit ook herkennen.

 

De leerkracht leest het verhaal nog eens voor.

 

 

De leerkracht bespreekt het verhaal met de leerlingen.

Zo leren de leerlingen luisteren naar de opbouw van het verhaal. Ze zijn hier verbaal-linguistisch bezig.

 

Zo leren de leerlingen de opbouw van een sprookje.3

 

 

Hierdoor blijven de leerlingen actief luisteren en weten ze waar ze op kunnen letten tijdens het verhaal.  

 

 

 

Zo leren de leerlingen de opbouw van een sprookje te herkennen.

 

De leerlingen leren te praten over een verhaal en elkaar feedback te geven.

Het verhaal van Sneeuwwitje en de zeven dwergen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het verhaal en pen en papier.

 

 

 

 

 

Bijlage:

 

De opbouw van een sprookje:

 

1 Het sprookje speelt in het verleden - Er was eens…

Het sprookje speelt zich af in een wondere wereld van heel, heel lang geleden. Een wereld waar je, naast allerlei sprookjesfiguren, ook keizers, koningen, prinsen en prinsessen ontmoet. Wannéér het sprookje zich precies afspeelt is niet duidelijk. Vandaar dat sprookjes meestal beginnen met:”Er was eens…”

2 Het sprookje begint altijd met een bepaalde – starre- situatie

De Prinses op de erwt: “Er was eens een prins. Die wilde een prinses, maar het moest wel een echte prinses zijn…”
De Rode Schoentjes:” ’s Zomers moest ze altijd op blote voeten lopen, want ze was arm…”
Het Meisje met de Zwavelstokjes: “In die kou en in dat donker liep er op straat een arm, klein meisje, zonder muts en op blote voeten…”

3 Deze situatie wordt verstoord door een probleem, een uitdaging, een wens, of door een onverwachte gebeurtenis

Bij de prins van ’de Prinses op de erwt’, klopt op een avond een doornatte, vieze vrouw aan, die zegt dat ze een echte prinses is…
In het sprookje van ‘De Chinese Nachtegaal’ hoort de keizer opeens over de nachtegaal die in zijn eigen tuin zingt. Daar wil hij meer van weten, maar hoe? Als het meisje met de zwavelstokjes niet meer verder kan door de kou, gaat ze zitten en steekt een zwavelstokje aan om zich te warmen… De betrekkelijke rust van de keizer in ‘de nieuwe kleren van de Keizer’ wordt opeens verstoord door de komst van twee bedriegers…

4 Slechte krachten proberen de held of heldin tegen te werken


Deze slechte krachten kunnen mensen zijn, maar ook dieren, draken, reuzen of geesten, een tovenaar, een heks of een lelijke stiefmoeder. Zoals de zeeheks in het sprookje ‘de kleine Zeemeermin’ of de boze koningin die haar zeven stiefzonen betovert in ‘de Wilde Zwanen’… Of de dood, die de Chinese keizer wil halen…

5 Goede krachten schieten te hulp

Gelukkig zijn er goede krachten die kunnen helpen: de grootmoeder die het meisje met de zwavelstokjes meeneemt, de Chinese nachtegaal die de keizer redt van de dood… Het zusje van de prinsen redt de wilde zwanen met hemden geweven van brandnetels… En de oude soldaat hakt de rode schoentjes van Karens voeten…

6 De held leert en wordt gelukkig

Met behulp van de goede krachten overwint de held. Maar hij of zij heeft ondertussen wel zijn lesje geleerd: Echte liefde overwint! Wees niet ijdel of verwaand! Houd je eigen mening! Wees geen kuddedier! Pas op voor hebzucht! Zorg dat je anderen niet uitsluit!

7 De held wordt beloond!

De beloning voor de held kan wijsheid, rijkdom of macht zijn. Of alledrie tegelijk. Het meisje met de zwavelstokjes vindt rust en geluk bij haar oma, het lelijke jonge eendje blijkt een prachtige zwaan te zijn, die door iedereen wordt bewonderd… De Chinese keizer wordt weer beter en regeert vanaf nu rechtvaardig. Maar het sprookje heeft pas echt een ‘happy end’, als na lang verlangen de knappe en rijke prins of prinses wordt veroverd. En ze leefden nog lang en gelukkig…